vrijdag, november 23, 2018

Zondag: Opening

Er was eens een lief klein meisje. Ze woonde in een klein dorpje aan de rand van het bos. Het dorpje heette Best. In het dorpje woonde ze samen met haar ouders, en ze speelde vaak samen met de andere kinderen in het bos.

Het meisje had ook een hele lieve Oma. Die oma woonde in het bos, in haar eentje. Het meisje was het enige kleinkind van oma, en altijd als het meisje bij oma was wilde oma haar verrassen met een kadootje. Zo had oma op een dag een mooi rood manteltje voor haar gemaakt, met een mooie rode capuchon. Het meisje vond hem zo mooi, dat ze hem vanaf toen elke dag wou dragen. Het werd ook heel snel haar bijnaam: Roodkapje. Oma noemde haar zo, de kinderen in Best noemden haar zo. Na een tijdje gingen zelfs haar ouders haar Roodkapje noemen. Zo komt het dat niemand weet hoe Roodkapje eigenlijk echt heet.

Dit kamp volgen we het verhaal van roodkapje. Steeds vertellen we weer een stukje van het verhaal, en gaan we kijken wat er gebeurt. Jullie zijn dit kamp de kinderen van Best, de buurtkinderen, die samen met Roodkapje allerlei avonturen gaan beleven.

Koekingrediëntenspel

Op een dag zei de moeder van Roodkapje tegen haar: “Roodkapje, weet je dat je oma morgen jarig is?” Ja natuurlijk wist Roodkapje dat! Ze keek er al de hele week naar uit! “wat zullen we haar eens voor haar verjaardag kado doen?” vroeg Moeder. “Koekjes!” zei Roodkapje. Roodkapje hield enorm veel van koekjes. En van Oma. En Oma hield ook van koekjes.

“Maar”, zei moeder, “ik heb de ingrediënten niet in huis om koekjes te bakken!”.

“Wat zijn dat, ingredenten?” vroeg Roodkapje.

“Ingrediënten zijn de dingen die je nodig hebt om wat te koken. De ingredienten voor koekjes zijn bloem, eieren, boter, chocola en suiker”. Roodkapje probeerde dat lijstje goed te onthouden. Vijf verschillende dingen: Bloem, eieren, boter, chocola en suiker.

Maar ja, dat hadden ze dus niet. Ze hadden bijna niks in huis. De ouders van Roodkapje waren namelijk niet zo rijk. Verderop in het bos was er wel een boer, boer Willem. Nou ja, een echte boer was hij niet, want een echte boer werkt op het land. Deze boer liet vooral anderen voor hem werken, en werd er zelf rijk van. En de mensen die voor hem werkten, betaalde hij met een beetje eten: Suiker, of bloem, of eieren bijvoorbeeld. Of soms met chocola of boter.

Dus, zei moeder, als jij nou met de buurtkinderen naar die boer gaat, en daar klusjes doet, kunnen jullie zo alle ingrediënten verdienen die we nodig hebben. Maar kijk uit voor de struikrovers!

Roodkapje: “struikrovers stelen toch alleen struiken?”

Moeder: “nee, struikrovers zijn rovers die zich verstoppen in de struiken, of achter een boom, en die van alles van jou willen stelen. Misschien houdt een struikrover wel erg van chocola. Dan wil hij je chocola stelen. Terwijl je die juist net verdiend hebt met klusjes doen.”

Roodkapje zou het in iedergeval gaan proberen: Ingrediënten verdienen, voorbij de struikrovers rennen, ze veilig naar moeder brengen.

Sluipspel

Na het eten kwam moeder met een beetje beteuterd gezicht naar Roodkapje toe. Ze zei: “Roodkapje, jij hebt vanmiddag heel hard gewerkt met de buurtkinderen, om de ingrediënten te verzamelen voor de koekjes.”

“Jazeker mam”, zei Roodkapje.

“En daar hebben we heerlijke koekjes van gebakken! En toen die klaar waren heb ik ze in de vensterbank gezet om af te koelen. Maar nu zijn ze weg! Ik zag nog net een van de struikrovers ermee wegrennen”

“Alle apebroodjes! Wat een kierejatters! En nu hebben we niks om morgen naar Oma mee te nemen! Ik zal ze krijgen!”

Maandag: Roodkapje gaat op weg

De volgende dag was de grote dag. Gisteravond had ze samen met de buurtkinderen de koekjes teruggestolen van de rovers. En vandaag zou ze die naar Oma gaan brengen.

Moeder zei tegen haar: “Je bent een dappere meid, en je houdt van de natuur. Maar ga rechtstreeks naar Oma toe. Laat je niet afleiden door mooie of leuke dingen in het bos. Ga niet van het pad af om bloemetjes te plukken, of om bij een beekje te spelen. En ga al helemaal niet je tijd zitten verdoen met hutten bouwen in het bos.”

Roodkapje ging op weg, met haar mandje met koekjes, rechtstreeks naar Oma toe. En een paar van de buurtkinderen liepen mee. Toen ze net het bos in waren, zag een van de kinderen een mooie gevorkte boom staan. “Hee”, zei hij, “als je hier een dikke tak in legt, en daar een paar andere schuin tegenaan zet, kan je een mooie hut bouwen.”

“Nee”, zei Roodkapje. “Doe niet zo dom. Dan wordt die hut veel te laag. Je kunt beter die boom gebruiken”, en al snel waren er groepjes kinderen bezig om mooie hutten te bouwen in het bos. Niemand dacht meer aan de opdracht om de koekjes naar Oma te brengen.

De wolf!

Zo waren de kinderen de hele ochtend bezig met hutten bouwen in het bos. Sommigen vonden de ene hut mooier, anderen de andere. “Maar deze is sterker”, zei het ene kind. “Maar onze hut is groter” zei de andere. “En de onze kan tegen regen” zei een derde.

Nu zijn er in het bos heel veel lieve dieren. Er zijn spechten, die bovenin de bomen met hun snavel op de stam pikken. Er zijn eekhoorns die hun eten voor de winter aan het verzamelen zijn. Maar er zijn ook dieren die niet zo lief zijn. In dit bos wonen er namelijk twee wolven. Een oude en een jonge. En deze wolven hoorden al van heel ver dat de kinderen bezig waren met hutten bouwen. En, dachten ze… waar kinderen zijn, is eten. Ze kropen dichterbij, en hoopten dat er een kind in zijn eentje ver af zou dwalen van de groep. Maar helaas, de kinderen bleven altijd wel een beetje bij elkaar in de buurt. Maar wat zagen ze daar? Een mand met heerlijke koekjes! Die stond bij een boom in de buurt van een van de hutten. Niemand lette er meer op, want de kinderen waren allemaal vooral bezig om hun hutten nog mooier te maken. De oude wolf had de koekjes gezien en geroken, maar hij was niet zo heel lenig meer. Hij had namelijk een verwonding opgelopen en kon niet meer rennen. De jonge wolf daarentegen was erg snel en lenig. Op zijn tenen sloop hij naar de mand toe, pakte de mand op, en sloop snel weer weg. Niemand had hem gezien!

Samen gingen ze snel weg, en toen ze veilig waren, verdeelden ze de koekjes. Maar er was een probleem: Er was maar één mand. Dus, de oude wolf mocht de mand hebben. De jonge wolf zou de koekjes gewoon op een hoge stapel op zijn arm dragen. Toen gingen ze elk hun eigen weg. De oude wolf was moe, en besloot snel om even een middagdutje te gaan doen. Hij ging liggen in het bos, met naast zich de mand waarin de helft van de koekjes zat.

De jonge wolf liep snel verder. Hij wist dat de oude wolf weleens erg onredelijk kon zijn. En als de oude wolf de mand met koekjes leeg had gegeten, zou die vast achter hem aan komen voor nog meer koekjes. Dus, de jonge wolf liep stevig door. Daarna begon hij zelfs een beetje te rennen, want het idee dat de oude wolf hem achterna zou komen stond hem niet aan. Daarna ging hij zelfs voluit rennen, zo hard als hij maar kon… en toen struikelde hij, en alle koekjes die hij in zijn armen had, vielen op de grond.

https://www.facebook.com/ScoutingOranjeBlauwRotterdam/videos/1167532283424277/

De laatste etappe

Na een hele middag van sluipen en rennen was het Roodkapje en de buurtkinderen gelukt om de meeste koekjes terug te krijgen. Maar ze waren met het hutten bouwen flink wat tijd verloren. En met het terugstelen nog veel meer. Zo zouden ze het niet meer halen om voor donker bij Oma te zijn. En in het bos overnachten… waar het erg koud kon worden… en waar die twee wolven nog steeds rondliepen… dat zou geen pretje zijn.

Ze kwamen bij een parkeerplaats, en daar waren wat mensen die hen wel wilden helpen. Ze waren met de auto, en moesten toch dezelfde kant op. Dus ze wilden best Roodkapje en de buurtkinderen een lift geven. Ja, eigenlijk mag dat niet he, met vreemde mensen in de auto stappen. Maar ja, ze konden ook niet in het bos blijven slapen, dus ze gingen toch maar mee in de auto’s. Met de auto reden ze een aardig stuk, en toen ze daar uitstapte zou het niet ver lopen meer zijn. Als ze maar de goeie kant op liepen. Want ze wisten wel naar welk adres ze moesten: naar boslaan zuid 11. Want daar woonde Oma.

Aangekomen

Het was toch een flink eind lopen geweest. Waarschijnlijk hebben die mensen Roodkapje en de buurtkinderen de verkeerde kant op gereden. Hadden die mensen hun tomtom verkeerd ingesteld? Of hadden die mensen een soort van flauwe grap uitgehaald, en hen heel ergens anders neergezet? Wie weet. Maar de kinderen hebben de weg gevonden naar het huisje.

Roodkapje deed voorzichtig de deur van het huis open. Oma? Oma? … niets. Geen reactie. Roodkapje en de kinderen liepen het hele huis door, maar vonden oma nergens. Misschien was oma een avond wandelingetje gaan maken en zou ze straks thuiskomen… je weet maar nooit.

In de woonkamer vonden ze wel wat lekkers dat ze konden eten. En toen merkten ze dat ze inmiddels ook echt wel dorst en honger hadden. Dus ze gingen snel eten. Daarna merkten ze dat ze toch wel moe waren, dus zochten ze snel een plekje waar ze konden slapen. Er waren niet zo veel bedden, maar ze vonden dan wel een plekje op de grond om te slapen. Roodkapje maakte zich niet zo ongerust. Maar dat had ze beter wel kunnen doen…

Dinsdag: Op zoek naar Oma

De volgende ochtend was Oma nog steeds niet terug. Vreemd. Dan was er misschien wel wat gebeurd met Oma. Ze moesten maar eens op zoek gaan naar Oma. “En hoe ziet oma er dan wel uit?” vroegen de buurtkinderen. Want die waren nog nooit bij Oma op bezoek geweest. “Nou, zei roodkapje… als een oma. Je weet wel, met een jurk en met sieraden. Denk ik. Het is al een hele tijd geleden dat ik Oma gezien heb, maar ze heeft in iedergeval een jurk en sieraden.”

Nou, dat was niet heel veel uitleg, maar beter dan niets. Dus de buurtkinderen en Roodkapje gingen zich verspreiden om Oma te vinden.

De jager

Na lang zoeken in het bos vonden ze wel iemand met een jurk en sieraden… maar het was zeker weten niet Oma. Het was namelijk een man. Roodkapje herkende wel de jurk, die was zeker weten van Oma.

“Wie denk je wel dat je bent?!” vroeg Roodkapje boos aan de man. “Dat je zomaar met de jurk van mijn oma door het bos wandelt?” De man wilde antwoorden, maar kreeg de kans niet echt. “En die sieraden van oma, hoe kom je daaraan?” vroeg Roodkapje. Weer wilde de man iets zeggen, maar Roodkapje viel hem in de rede: “En kom nou niet met flauwe smoesjes, ik wil de waarheid horen, en wel nu!”. Roodkapje was erg boos. Ze was boos omdat oma kwijt was, en omdat deze man de jurk van oma had, was ze boos op deze man.

“Ik kan alles uitleggen” zei de man. “Ik ben Jörumar de Jager, en ik was op reis naar Best. Maar toen ik gisteren door dit bos liep hoorde ik twee wolven vechten. Nu ben ik dus een jager, dus ik dacht “hee, wolven. Die kan ik jagen”. Dus ik sloop op het geluid af, en keek van achter een boom wat er gebeurde. Een oude en een jonge wolf waren met elkaar aan het vechten om een koekje. Ik vond dat wel leuk om te zien. Dus ik bleef rustig zitten kijken. Na een tijdje won de jonge wolf. De oude bleef stil op de grond liggen, terwijl de jonge wolf het koekje op at. Nu vond ik het wel tijd om eens een wolf af te knallen, dus ik pakte mijn geweer, richtte, ademde uit, haalde de trekker over… “klik!”. Oeps, dat was niet handig. Ik had geen kogels meer. Maar zo’n mooie prooi ging ik niet laten ontsnappen. Dus toen de wolf weer verder liep, ben ik achter hem aangeslopen, en zo volgde ik hem naar een huisje in het bos. Daar ging de wolf naar binnen. Ik hoorde een verschrikkelijke gil! Ik had dan wel geen kogels meer, maar ik moest toch iets doen om te helpen, dus rende ik snel het huis binnen. Toen ik binnenkwam zag ik een oude vrouw in bed liggen. Een bijzonder harige oude vrouw. “Hallo, ik ben oma” zei de oude vrouw. “Nou, omaatje,” zei ik, “Wat heeft u een grote neus!”. “Dat komt omdat ik vroeger zo veel gejokt heb” zei de oude vrouw. Ik vond dat een rare reden. “Maar omaatje, wat hebt u een grote oren!” “Ja”, zei ze, “Dat is omdat ik vroeger altijd stout was. Dan trok de leraar me aan mijn oren.” Ik vond het maar vreemd. Ik wist dat er iets niet klopte. Dus ik bedacht een list. Ik zei “Maar omaatje, wat lijkt u veel op een poedel!” Toen sprong het omaatje woedend op, en zei “Ik ben geen poedel, ik ben een echte wolf!”. En toen heb ik heel erg gebluft. Ik pakte mijn geweer, richtte mijn geweer op de wolf, en zei “en ik ben hier om je naar je grootje te helpen!”. En dat terwijl ik geneens kogels had, maar dat wist de wolf niet. Dus de wolf sprong uit het raam en rende het bos in. Ik rende heel hard achter de wolf aan, om hem flink de stuipen op het lijf te jagen. De wolf vond het maar moelijk rennen met die jurk aan en door die sieraden kon hij ook moeilijk ademhalen. Dus die heeft hij tijdens het rennen uitgedaan en op de grond gegooid. Toen is hij zo hard weggerend dat zelfs ik hem niet bij kon houden. En, als ik dat wel kon, kon ik toch niks, want vroeg of laat zou hij merken dat ik geen kogels had, en dan had ik een probleem. Dus verstopte ik me, en ging ik nadenken wat ik nou kon doen tegen die wolf. En toen vonden jullie me”.

Roodkapje en de buurtkinderen hadden aandachtig geluisterd. En toen de jager Jörumar uitgesproken was, zeiden ze met zijn allen “Nou, dan gaan wij vanmiddag op wolvenjacht!”.

En Roodkapje zei: “Maar eerst nog wat eten natuurlijk!”

De jacht

Na het eten gingen Roodkapje, de buurtkinderen en Jörumar er op uit om de wolf te zoeken. Maar voordat ze weggingen, maakten ze een plan. Je kan namelijk niet in je eentje een wolf vangen. Tenminste, niet als je geen kogels hebt. Maar met een hele groep… dat verandert de zaak. Maar dan is het wel belangrijk dat we als groep bij elkaar blijven. En als we de wolf vinden, wat dan? Dan moeten we proberen om hem van alle kanten tegelijk aan te vallen, zodat hij geen kant meer op kan. En we moeten natuurlijk touwen mee, om hem mee vast te binden.

Zo gingen ze dan op jacht. En waar begin je zo’n jacht? De plek waar je hem het laatst gezien hebt natuurlijk. En daar ga je kijken of je sporen kan vinden. Voetsporen, of misschien stukjes vacht die in een struik vast zijn blijven zitten. En… heel belangrijk, niet vooruit rennen, maar als hele groep bij elkaar blijven!

De wolf is gevangen

Na een lange jacht hebben ze met zijn allen de wolf gevangen. Wat zijn ze blij! Ze nemen de wolf mee naar het huisje van oma. En daar neemt de jager de wolf en de jurk van oma mee de keuken in. In de keuken maakte de jager de wolf open, zodat oma uit de buik van de wolf kon komen.

Wat er daarna met de wolf is gebeurd weten we niet, maar ze hadden die avond wel heel lekker vlees te eten, zoals ze nog nooit eerder geproefd hadden.